Een gewoonte bouwen kost weken waarin de omstandigheden meewerken. In januari werken ze tegen: acht tot negen uur licht, gemiddeld vier graden, veel regen en een lichaam dat net twee weken weinig heeft gedaan. Alles wat je moet doen om te trainen kost in januari meer moeite dan in september.
Daar komt de opzet bij. Wie op 1 januari begint, begint meestal groot: drie keer per week, een streefgewicht, een datum. Een trainster bouwt liever langzaam op, en juist in januari botsen die twee het hardst. Het resultaat is een februari waarin het tegenvalt, en dat is precies de maand waarin mensen stoppen.
Wat er wél werkt in januari
Beginnen met één vaste sessie per week in plaats van drie. Het tijdstip belangrijker maken dan de inhoud: een uur dat altijd doorgaat wint het van een programma dat perfect is. En het eerste doel zes weken vooruit leggen in plaats van in de zomer, zodat er eind februari iets te zien is.
Twee betere momenten
Acht gunstige weken vooruit
Zacht weer, lang licht, en een agenda die na de zomer toch al opnieuw wordt ingedeeld. Wie in september begint, heeft de gewoonte staan voordat november begint.
Vier gunstige maanden vooruit
De prettigste omstandigheden van het jaar, met de zomer als buffer. Het enige risico is de zomerstop; die is te ondervangen door de eerste sessie erna vooraf te plannen.